Magistraat

Tussen 2002 en 2012 werden 81.000 werkstraffen uitgesproken.

De werkstraf bestaat uit een aantal uren onbezoldigd werk uitgevoerd door de veroordeelde. De veroordeelde moet een actieve daad stellen. Hij moet de straf kunnen aanvaarden en zijn aandeel erkennen.

 

Deze straf kenmerkt zich doordat hij in de schoot van de samenleving wordt uitgevoerd.

Dit omvat meerdere aspecten:

  • De werkstraf laat minstens toe dat de veroordeelde betrokken blijft op de samenleving. Hij kan betekenisvolle relaties aangaan of blijven aangaan.
  • De werkgestrafte wordt ingeschakeld in de dagelijkse werking van prestatieplaatsen die op vrijwillige basis meewerken.

Vragen

  • De veroordeelde moet over de vereiste vaardigheden beschikken en moet goed begrijpen wat de gevolgen van een werkstraf zijn voor hem en voor zijn familie.
  • De verslagen die u als rechter of openbaar ministerie aan het justitiehuis kan vragen om met kennis van zaken een gepaste beslissing te kunnen nemen.
  • Beknopt voorlichtingsrapport : hierin geeft de justitieassistent u een antwoord op een specifieke vraag zodat u kan nagaan of een bepaald persoon in staat is een werkstraf (of een andere straf) uit te voeren.
  • Maatschappelijke enquête : de justitieassistent schetst een algemeen beeld van de levenssituatie van een persoon en de feiten worden in een bredere psychosociale context geplaatst.

De wet betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie van 29 juni 1964 (B.S. 17 juli 1964) voorziet dat de werkstraf geheel of gedeeltelijk kan worden uitgesteld. Voor de werkstraf mag de duur van het uitstel niet meer dan 3 jaar bedragen. Als er aan het uitstel van de werkstraf een opleiding wordt gekoppeld moet de werkstraf volledig worden uitgesteld.

Maar…

De combinatie van een werkstraf met probatievoorwaarden kan een mislukking meebrengen van zowel de werkstraf als de probatiemaatregel. De praktische uitvoering van de maatregelen kan in de beide richtingen negatieve repercussies hebben. Bijvoorbeeld: de uitvoering van de vervangende gevangenisstraf bij niet naleving van werkstraf kan er voor zorgen dat de probatiebegeleiding opgeschort wordt.

Meer nog, een combinatie van maatregelen bemoeilijkt een heldere kijk op de juridische en administratieve aspecten, op het risico dat men loopt bij niet uitvoering en de persoonlijke investering op vlak van tijd bij de veroordeelde.

 

Geen enkel Belgisch onderzoek heeft betrekking op de recidivegraad van personen die veroordeeld zijn tot een werkstraf in vergelijking met andere delinquenten.

In 2009 werd daarentegen een studie "Recidive na werkstraffen en na gevangenisstraffen uitgevoerd in Nederland door H. Wermink, A. Blokland, P. Nieuwbeerta en N. Tollenaar. 

Het onderzoek had betrekking op 4.246 personen tussen de leeftijd van 18 en 50 jaar die officieel geregistreerd stonden als crimineel. De experimentele groep was samengesteld uit daders die in 1997 voor de eerste keer werden veroordeeld tot een werkstraf en die nooit een gevangenisstraf of een werkstraf hadden ondergaan. De controlegroep was samengesteld uit daders die in 1997 veroordeeld werden tot een gevangenisstraf die zes maanden niet te boven ging en die nooit een gevangenisstraf hadden ondergaan of een werkstraf hadden uitgevoerd. Alle veroordelingen na het "uitgangsdelict" werden beschouwd als recidive. Vergelijking over 8 jaren na het uitgangsdelict.

Uit de conclusies blijkt dat:

  • Daders met een werkstraf 47% minder vaak recidiveren dan kort gestrafte gedetineerden.
  • Het effect is er zowel op korte als op lange termijn.

De resultaten gelden voor mannen en vrouwen, voor verschillende leeftijden en voor alle soorten criminaliteit.